Giving an A!

Gisteren heb ik genoten tijdens een zeer gezellig samenzijn met de Zuid Afrika reizigers. Niet iedereen kan je dan helaas spreken. Weer genoten van de kinderen die wéér prachtig zongen. Maar niet nadat dirigent Chris hen een “A” gaf.  Die A staat voor de juiste toon. Maar die A staat in Amerika ook voor een dikke 10 op school. Moet je die 10 eerst verdienen of krijg je deze vooraf? Wat doet dat met vertrouwen?
maestro Chris
Chris gaf onze kinderen afgelopen jaar het volle vertrouwen en bracht ze tot grote hoogte (letterlijk en figuurlijk). Ik heb het hem gisteren niet eens gezegd, maar hierbij maak ik het hopelijk een beetje goed: Chris, super bedankt!
Onder andere over Giving an A had ik het met Chris. Uit een boek van de dirigent Zander. Had ik ooit iets over gehoord. Net iets over gezocht en gevonden op het internet. Is het glas half vol of half leeg. Zo iets. Gisteren waren ze steeds leeg. Nu in ieder geval vast van plan om het boek, the Art of Possibility, te gaan lezen!
hieronder de tekst die ik vond op de website: nl.odemagazine.com/

Maestro Zander

Zijn spel heet: wat kan ik bijdragen? Dirigent Benjamin Zander probeert het beste in anderen naar boven te brengen. ‘Ik heb geen carrière meer, ik heb een leven.’ Tijn Touber bezocht hem in New York. Een ontmoeting met een gepassioneerde levensgenieter.

Tijn Touber
4 april 2002 issue

In 1981 vliegt Benjamin Zander, dirigent van het Boston Philharmonic Orchestra, naar Washington om de wereldberoemde cellist Mstislav Rostropovich te vragen met zijn orkest mee te spelen. Rostropovichs secretaris geeft Zander geen schijn van kans. Zelfs telefonisch krijgt hij hem niet te spreken. Als Zander de volgende dag onaangekondigd voor de deur staat, kan de secretaris hem – zichtbaar geïrriteerd – de toegang niet weigeren. Nog geen half uur later wandelt Zander opgewekt de deur uit. In het voorbijgaan voegt hij de secretaris toe: ‘Hij doet het.’

Als Zander weer in het vliegtuig naar Boston zit, reageert de bemanning verbaasd: ‘Was u vanmorgen niet al aan boord?’ De dirigent vertelt enthousiast over zijn geslaagde missie. Het geheim: ‘Certain things in life are better done in person’. Even later schalt het goede nieuws door het vliegtuig: ‘Ladies and gentleman, aan boord verwelkomen wij maestro Zander, die het voor elkaar heeft gekregen om de beroemde cellist Rostropovich voor een optreden te strikken.’

Twintig jaar later ben ik op terugreis van New York naar Amsterdam. Benjamin Zander heeft zojuist toegezegd naar Nederland te komen om voor lezers van Ode op te treden. ‘Certain things in life…’

Het is nog haasten op 2 maart. Zojuist aangekomen in New York, moet ik meteen door naar Carnegie Hall waar Benjamin Zander een pre-concert lecture geeft voordat hij met het Boston Philharmonic de Negende Symfonie van Mahler zal uitvoeren. De maestro zelf staat bij de deur. Hij begroet me hartelijk: ‘How brave of you to come!’ Voor iedereen heeft Zander een lach, een hand of een joviale schouderklap.

Dan lopen we de zaal in. Een suppoost in een rood jasje vraagt onze toegangsbewijzen. Zander lacht: ‘Maar ik ben de dirigent!’

‘De dirigent?’ Monden vallen open. ‘Maar wat doet u hier dan?’

‘De gasten ontvangen natuurlijk!’

Als je hem zo ziet, moet je wel van steen zij om niet gecharmeerd te raken van deze lange man. Zijn ogen drukken voortdurend uit, dat het leven het waard is om ieder moment intens te worden beleefd.

Benjamin Zander, 62 jaar geleden geboren in Engeland, schreef op zijn negende zijn eerste composities. Op zijn vijftiende reisde hij naar Duitsland en Italië om te studeren bij de grote Spaanse cellovirtuoos Gaspar Cassadó. Toen Benjamins vader vroeg wat hij hem schuldig was, schijnt Cassadó te hebben gezegd: ‘Als ik je zou berekenen wat ik vind dat mijn lessen waard zijn, zou je dat op geen stukken na kunnen betalen. Laat maar zitten.’ In 1979 ontstond om Zander heen het Boston Philharmonic Orchestra, een unieke combinatie van profs ‘die de standaard zetten’, leerlingen ‘die zich geen betere leerschool kunnen wensen’, maar ook amateurs ‘die ons eraan herinneren dat muziek vooral een uiting is van enthousiasme en liefde.’ Daarnaast geeft Zander les op het conservatorium in Boston, reist hij met een jeugdorkest de wereld over en is hij gastdirigent in veertien landen. Zijn samenwerking met het Londen Philharmonia Orchestra leverde hem een Grammy op voor de vertolking van Mahler’s Negende Symfonie. De laatste jaren is Zander een buitengewoon populair internationaal spreker geworden – niet in de laatste plaats door zijn levensfilosofie die hij the Art of Possibility noemt. Het werd ook de titel van het boek dat hij met zijn levenspartner Rosamund ‘Roz’ Stone Zander (59) schreef. Het boek én de man zijn bestsellers.

De kern van The Art of Possibility is te leren uit neerwaartse spiralen te komen en te verhuizen naar een gebied van oneindig veel mogelijkheden. Zelfs in de ergst denkbare omstandigheden zijn er altijd juwelen te vinden; je moet ze alleen willen zien. Roz: ‘In Boston staat een monument ter nagedachtenis aan de holocaust. Het bestaat uit zes pilaren met zes verschillende verhalen. De zesde pilaar vertelt het verhaal van de meisjes Ilse en Guerda die beiden in Auschwitz zaten. Guerda herinnert zich dat de zesjarige Ilse op een ochtend in het kamp één enkele braam vond. Ilse draagt de vrucht de hele dag bij zich. Die avond, haar ogen stralen van geluk, geeft ze de braam op een blaadje aan haar vriendin Guerda. Guerda Weissman Kline schrijft: “Stel je een wereld voor waarin het enige bezit dat je hebt één enkele braam is, en die geef je aan een vriend.” Die grootsheid is mogelijk als je uit je neerwaartse denkspiraal kunt stappen.’

Volgens Ben is psychotherapeut en schilderes Roz ‘het brein achter de onderneming’. Zij verwoordt het inspirerende gedachtegoed zo: ‘Het gaat erom het leven volledig te leven door alles te omarmen wat zich voordoet. Weerstand bieden tegen situaties of emoties, maakt dat je niet meer openstaat voor de volgende stap. Door mijn schilderkunst zie ik mensen vooral als “werk in uitvoering”. Ik zie hun creatieve vermogens en ga een relatie met hen aan. Van tevoren weet ik ook niet precies waar het heen gaat. Tenslotte ben ook ík een deelnemer en word ook ík getransformeerd. Maar ik weet wél veel over de reis en over de mogelijkheden.’ Het boek dat ze samen schreven, beschrijft inzichten en strategieën die een leven blijvend kunnen veranderen.

Een van de mooiste is het geven van een tien (zie ook Ode 39, pagina 58). Steeds weer zag Benjamin zijn leerlingen aan het conservatorium verkrampen wanneer zij iets voor een cijfer moesten doen. De Zanders bedachten er het volgende op. Aan het begin van het schooljaar krijgt iedereen een tien. De leerlingen schrijven vervolgens een brief – gedateerd op de laatste dag van het schooljaar – waarin zij uitleggen hoe dat hoge cijfer tot stand is gekomen. Ben Zander: ‘Op die manier stap je uit de wereld van cijfers en meten, van concurrentie en competitie. Grote muziek kán niet uit dat soort gevoelens worden geboren. Andere schone kunsten ook niet. Muziek komt voort uit gevoelens van warmte, liefde, speelsheid, gevoeligheid en ontzag. Het cijfer dat leerlingen zichzelf geven, verandert op deze manier in een beeld, een visie op zichzelf, waar zij in kunnen groeien en naartoe kunnen leven. Ik gebruik de brief gedurende het jaar om hen eraan te blijven herinneren wat hun grote doel ook al weer was.’

Het orkest gaat stemmen. Zander rent naar boven om zijn rokkostuum aan te schieten. Het licht gaat uit, Zander komt op. Vóór het concert heeft hij met de, pakweg duizend liefhebbers, al in vogelvlucht het programma doorgenomen. Deze pre-concert talks zijn typerend voor de man die zijn publiek méér wil meegeven dan een avondje mooie muziek. De beleving wordt namelijk vele malen intenser wanneer je weet wat de componist bedoelde en waar de verschillende instrumenten en motieven voor staan.

Mahler – vandaag het onderwerp – is bekend terrein. Zander wordt wereldwijd erkend als één van de grootste in leven zijnde vertolkers van Mahler, zeker van de Negende Symfonie. ‘Mahler voorvoelde dat hij spoedig zou sterven’, weet Zander. ‘Deze symfonie is als het leven zelf. Mahler nodigt ons uit om te participeren. Om liefde, haat, dood, vreugde, afscheid, verdriet, verlangen en hoop te beleven. Denk niet: “Wat doen die mensen op het podium moeilijk”, maar doe mee en laat heel je gevoel spreken.’ Zander waarschuwt zijn gehoor dat vooral het derde deel een ware beproeving is – niet alleen voor de musici, ook voor de luisteraar. ‘Zo somber, zo kil…’ Een kennis van hem luistert alleen naar het eerste en laatste deel. ‘Maar hij mist iets essentieels. Het leven is niet alleen mooi. We kunnen de donkere zijde van het leven alleen overstijgen door deze te omarmen en onder ogen te zien. De stilte die we aan het einde van de symfonie ervaren, is vooral zo mooi, omdat we daarvoor ook de andere kant hebben ervaren.’ En dat is precies wat de bijna drieduizend toeschouwers die avond beleven: een diepe stilte na een intens rijke ervaring. En dan… daverend applaus! Ook Zander klapt, voor zijn orkest en voor zijn publiek.

De ochtend na het concert zit Roz in de suite van hun hotel aan Central Park. Ze legt uit dat het leren denken vanuit mogelijkheden betekent, dat je hele wereld op zijn kop komt te staan. ‘Het gaat niet om gedragsverandering of wat marginale aanpassingen. Het is een volkomen shift in denken, perceptie en geloofssystemen. Dat is iets anders dan positief denken, dat uitgaat van de gedachte dat er buiten jou iets slechts zou bestaan. Wanneer je vanuit mogelijkheden denkt, zie je goed en kwaad slechts als producten van je eigen geest. De vraag wordt dan: hoe kan ik over de situatie denken, zodat ik er een ander beeld van krijg, waardoor ik er anders mee om kan gaan?’

Een wat verwilderde Ben schuift aan. Hij heeft de hele nacht ‘van pure opwinding’ niet geslapen. Op bed in de aangrenzende kamer vroeg hij zich af waarom hij zijn best zou doen om slaperig te zijn ‘als ik ook naar Roz kan luisteren?’ Beiden schaterlachen het uit. Ben: ‘Ik realiseerde mij dat mijn hele leven – mijn huwelijk, mijn carrière, álles – berust op mijn eigen uitvindingen: bedenksels, verhalen, percepties van de werkelijkheid. Ik dacht: als het dan tóch allemaal bedacht is, dan kan ik het net zo goed zó bedenken, zoals ik het zelf hebben wil.’

Een andere belangrijke stap op weg naar denken vanuit oneindige mogelijkheden, is de transitie van ‘ik-denken’ naar ‘wij-denken’, van competitief- naar inclusiefdenken. Ben kan zich zijn eigen omslag nog goed herinneren. ‘De dirigent is het laatste bastion van totalitaire macht. Ik was dan ook een echte tiran, hoewel charmant. Rond mijn vijfenveertigste realiseerde ik mij ineens, dat de dirigent de enige muzikant van het orkest is die geen enkel geluid maakt.’ In zijn geval is dat overigens niet waar: in zijn enthousiasme zingt en stampt Ben er lustig op los. ‘De kracht van de dirigent ligt dus vooral in ánderen krachtig maken. Dat inzicht heeft alles veranderd. Mijn aandacht ging vanaf dat moment niet meer zozeer uit naar mijzelf en naar mijn eigen succes, maar naar hoe ik anderen kon laten schitteren.’

De Zanders houden niet van regels, behalve van wat zij rule number six noemen: neem jezelf niet zo verdomd serieus! Wanneer studenten een fout maken, vraagt Ben hen de hand op te steken en ‘Fascinerend!’ te roepen. ‘Het begin van Mendelssohn’s Italiaanse Symfonie klinkt als de aanloop naar een krachtige radslag. De aanloop bestaat uit elf snelle stapjes door de fluiten waarna de violen inkomen. Tijdens een concert kwam een van de violisten al na vijf stapjes met veel bravoure in. Voor de eerste keer in mijn carrière stopte ik de uitvoering, dacht ‘fascinerend!’ en telde opnieuw af. Na afloop kwam iemand naar mij toe en vroeg of ik wilde weten wie er te vroeg inkwam. “Nee,” hoorde ik mijzelf zeggen, “ik was het zelf.” Niet letterlijk natuurlijk, maar in de context van de geweldige muziek die wij samen maken, is het absurd om een schuldige aan te wijzen. Ik wilde het niet eens weten. Ik was van “ik” naar “wij”verhuisd.’

Zijn onorthodoxe en zeer persoonlijke benadering leveren hem een onvoorwaardelijke toewijding van zijn musici op, al zijn er in het hectische bestaan van een honderdkoppig orkest natuurlijk altijd de nodige spanningen. ‘Ik kan me de laatste repetitie voor een concert van Bartók nog goed herinneren. Vrijwel alles ging fout. Ik riep: “We doen het hele tweede deel nog één keer. En denk erom: ik wil geen enkele fout horen!” Ik zag de spanning op de gezichten toenemen. Dus voegde ik er aan toe: “Als je wél een fout maakt, valt er een koe van driehonderd kilo op je hoofd.” De spanning was gebroken.’

Na jaren oefening is het denken, voelen en leven in het rijk der mogelijkheden een tweede natuur geworden. ‘Het vergt wel oefening’, beseft Ben. ‘Maar het is niet zozeer iets dat je dóet, maar eerder een bewustzijn van waaruit je leeft. Dan hoef je er ook niet over na te denken. Alles gaat dan vanzelf: je lichaamstaal, woorden, handelingen. Ik denk er niet over na dat ik bij de ingang van de concertzaal ga staan, ineens stá ik daar gewoon. Het is geen aangeleerd gedrag. Als je jezelf forceert, faal je voortdurend.’

Een van de mooiste metaforen die de Zanders gebruiken om het dagelijks leven hanteerbaar, verteerbaar en bovenal plezierig te maken, is het idee dat het leven een spel is en dat jíj het schaakbord bent. Het schaakbord staat voor de context waarbinnen alles plaats heeft. Roz: ‘Als ik niet aanwezig kan zijn – zonder weerstand – voor wat ís, dan is er blijkbaar iets in mijn veronderstelling van hoe dingen zouden moeten zijn, dat ik moet veranderen. Veel van ons zitten in een slachtofferrol en zoeken schuldigen als dingen “fout” gaan. Zo wordt ons leven door anderen bepaald en de verantwoordelijkheid voor ons eigen leven ligt dan buiten onszelf. Wanneer jij jezelf als de context ziet voor alles wat er in jouw leven gebeurt – als een schaakbord dus – dan betekent het niet dat je alles leuk vindt, maar wél dat je aanspreekbaar en handelsbekwaam blijft. Je blijft in staat keuzes te maken.’

Ben’s optredens als spreker begon toen een groep zakenlieden hem vroeg iets over muziek te vertellen. Omdat het op dat moment erg druk was, stelde Ben voor dat zij een repetitie zouden bijwonen. Het bleek dat veel van de dingen die hij tegen het orkest zei, rechtstreeks betrekking hadden op leidinggeven. Met muziek als metafoor voor het leven gaf hij sindsdien presentaties voor multinationals als Disney, IBM, Shell, British Telecom en topinstituten als de Nasa, het World Economic Forum in Davos en het State of the World Forum. In zijn ongelooflijk energieke stijl dartelt hij heen en weer tussen flip-over en piano. Hij doceert, vertelt verhalen, klapt, stampt, musiceert, zingt en laat het publiek lachen, huilen en zingen.

‘De symfonie is een prachtige metafoor voor de tijd waarin wij leven. Het woord betekent letterlijk “samen klinken”. In een wereld waarin alles en iedereen met elkaar is verbonden, is het een achterhaald idee dat het met mij goed zou gaan als het met anderen minder goed gaat. Ook leiderschap behoeft nieuwe invulling. Voorheen waren het vaak sportlieden of mensen uit het leger die als model van sterke leiders of coaches werden gezien. Maar een ander je wil opleggen en domineren, is geen leiderschap. Het grootste deel van mijn leven heb ik het spel van succesvol willen zijn gespeeld, totdat ik doorhad dat succes en falen twee kanten van dezelfde medaille zijn. Ik hoef nu niet meer de volgende dag in de krant te lezen of ik succesvol ben. Ik hoef alleen maar in de ogen van de musici en toeschouwers te kijken.’

Het definitieve besluit om door te gaan met de lezingen kwam na een ontroerende ontmoeting met zijn vader. Ben: ‘Mijn vader was toen 94 en erg ziek. Mijn broer had me gewaarschuwd, dat ik maar niet te lang moest blijven omdat hij na een minuut of vijftien de draad al kwijt was. Mijn vader zag er inderdaad heel fragiel uit. Hij vroeg me waar ik vandaan kwam. Ik vertelde hem dat ik een lezing had gegeven om het denken vanuit mogelijkheden uit te leggen. Hij vroeg of ik een tape had. Die had ik. Hij wilde hem meteen horen. Ik zette hem een koptelefoon op en keek naar hem, terwijl hij luisterde. Twee uur lang heeft hij geboeid geluisterd. Toen de tape afgelopen was, haalde ik de koptelefoon van zijn hoofd. Hij keek me aan en zei: “We wisten toen niet beter.” Hij begreep dat er ook andere manieren waren om een bijdrage aan het leven te leveren. Hij werd beter en bezocht in een rolstoel een van mijn lezingen. Het was voor mij zo’n bevrijdende ervaring. Ik was eindelijk mijzelf, vrij om mijzelf te zijn en bij te dragen zoals ik dat wilde.’

‘Mijn spel heet nu: wat kan ik bijdragen?’, vervolgt Ben. ‘Geluk definieer ik nu aan de hand van wat ik in iedere situatie kan bijdragen. Ik heb geen carrière meer, ik heb een leven. Ik heb ook geen doel, ik heb vooral een visie. En een visie moet je voortdurend nieuw leven inblazen. Het is iets waarvoor je leeft en waar je in gelooft. Dat geeft kracht en houdt je sterk. Stel je voor dat Martin Luther King had geroepen “I have a dream” om er vervolgens bij te denken: “Ik ben benieuwd of dit ooit wat wordt…” Het mooie van een visie is, dat je haar kan delen en samen ergens naartoe werkt in de geest van die visie. Een visie is dus niet zozeer een strak plan, maar vooral een context.’

Een dag op stap met Ben Zander maakt duidelijk, dat hij zijn visie ten volle leeft. Het is als één grote aaneenschakeling van bijdragen. Of je nu met hem in de lift staat of op straat op een taxi staat te wachten, hij ziet steeds het beste in de mensen om hem heen en neemt de tijd voor een praatje of een grap. Keer op keer wordt hij bedankt voor zijn bijdrage.

Voor New York is 4 maart een bijzondere dag. De inwoners – met name zij die familie en vrienden hebben verloren bij de aanslagen op 11 september – kunnen het Boston Philharmonic Orchestra aan het werk zien. Gratis, want de inwoners van Boston hebben als gebaar alle stoelen van Carnegie Hall opgekocht. Ben staat weer bij de deur, de zaal stroomt vol. Het is ontroerend te zien hoe de bezoekers beduusd om zich heen kijken in dit muziekmekka. De opening van de avond, dankbetuigingen van de burgemeesters van New York en Boston, staat stil bij de tragedie. De hoop wordt uitgesproken dat muziek een helend effect zal hebben. Voor Zander is dat niet nieuw. De beste recensie die hij ooit kreeg, was van zijn vader. Deze oude, bijna blinde man woonde een concert bij en zei na afloop: ‘Ik begrijp dat je deel uitmaakt van de healing profession…’

Op het programma staan Beethoven, Tjaikovski, Mahler, Mozart en Elgar. Het programmaboekje meldt verder dat er een koor van ten minste tweeduizend mensen zal zingen. Wat is dat? Waar zouden ze díe nou laten?! Als Ben opkomt, blijkt de microfoon het niet te doen (‘Fascinerend!’), maar als het ding weer werkt, verbaast hij het publiek door te vragen: ‘Kan een orkest niet zonder dirigent spelen?’ Hij wandelt het podium af. Het onvoorbereide orkest zet enigszins aarzelend Beethovens Coriolan Overture in. Het klinkt aardig, zeker voor ongeoefende oren. Dan komt Ben weer op, wrijft over zijn kin en mompelt: ‘Bad news for conductors’ om vervolgens het dirigeerstokje ferm ter hand te nemen. Opnieuw zet het orkest in. Het verschil is verbluffend! De precisie, de timing, de intentie, de intonatie, de passie… álles is anders.

Ook staat Ben stil bij de tragedie van 11 september. Geheel in stijl begeeft hij zich op het uiterst gevoelige vlak, wanneer hij zegt dat de ramp ook voordelen kan hebben. Ontroerend is het verhaal over een oud-leerling wiens hart brak toen zijn vriendin hem verliet. Voor Ben reden tot optimisme: ‘Nu pas kan hij Schuberts liederen zingen. Zo is het met pijn, verdriet, tragedie. Het loutert ons en kan het mooiste in de mens omhoog halen, zoals wij in New York met grote eerbied hebben gezien.’ Om mij heen wordt flink gesnotterd. Na afloop vertelt een jongen dat hij in het WTC-gebouw zijn beste vriend is kwijtgeraakt en zich sindsdien totaal miserabel voelt. Maar deze avond is een ommekeer. De muziek heeft hem geraakt. Zijn verlangen naar leven is weer ontwaakt.

Het klapstuk van de avond is Beethovens Ode to Joy. Achterop het programmaboekje staat de Duitse tekst. Of we die even willen meezingen. Verbazend genoeg lukt het snel en ineens staan bijna drieduizend New Yorkers uit volle borst te zingen. ‘Alle Menschen werden Brüder’. Ineens begrijp ik dat immense koor uit het programmaboekje. Dat koor, dat zijn wij.

Kerst

Kerst 2009 had weer vele ingrediënten, waarvan er een paar écht te veel waren. De afgelopen dagen heb ik (zonder overdrijven) 89 keer Flappie op de radio gehoord. Gelukkig geen konijn op het menu.

Dit jaar wél een witte kerst. Dat was sinds 1981 volgens het KNMI niet meer voorgekomen. In Pijnacker kreeg ik de auto niet eens uit de slip, zoveel sneeuw. Zwager Piet kwam na tien minuten gelukkig een duwtje geven.

Witte kerst dus, maar geen kerk. Terwijl in mijn herinnering het pas echt kerst is als je ’s morgens om vijf uur lopend, door de sneeuw, naar de kerk gaat. Dat was dus vroeger. Toen hadden we altijd een witte kerst.  Kerstavond geen kerk dus, maar wel stichtelijke gesprekken. Gesprekken bij vrienden met onze jeugd over de amoreuze moraal. Nu en vroeger. Er is volgens mij niet veel veranderd. En natuurlijk pasteitjes en het woordenboekspel. Een nieuwe traditie dient zich aan.

Vroeger niet, nu wel, kado’s onder de boom. Wat voor kleur boom? Groen. Echt? Neen, nep. Maar wel kado’s, waarvan de helft geruild moet worden. Hier en daar dus niet de juiste signalen opgepikt en soms vergeten wat ik een paar jaar terug al een keer kado heb gegeven.

Tweede kerstdag vertellen aan familie wat je verteld hebt op eerste kerstdag aan de andere familie. En discussie’s over drankmis- en gebruik van de Westfriese jongeren en het horecarookverbod. En ook over het lumineuze idee om vanaf 1 januri een toegangsverbod na middernacht te hanteren voor de horeca. Een afzakkertje na twaalven kunnen we dus vergeten.

’s Avonds heerlijk getafeld bij andere vrienden. En over kado’s gesproken. Ik vroeg dit jaar kniekousen en ben nóg teleurgesteld dat ik die niet heb gekregen. Maar zou nog meer teleurgesteld zijn als ik een WC borstel zou hebben gekregen ter waarde van € 160,=. Design. Dat dan weer wel. Ik wist nooit dat je naar een WC borstel moest kijken. Wel naar het WC natuurlijk.

Modern bedelen

Met kerst wensen we elkaar het goede. Vooral fijne feestdagen. En natuurlijk ook een gelukkig nieuwjaar. Die wensen en groeten komen steeds meer via email. Via email doet me niet zo veel eerlijk gezegd.
Zelf schrijven we (nog) kerstkaarten. Ieder jaar steeds minder, maar toch nog wel een heel aantal. Vooral naar mensen die we niet veel zien. Gewoon laten weten dat je nog leeft. Soms ook nog naar mensen die we drie keer in de week tegenkomen. Dat is volgens mij onzin. Natuurlijk ook naar mensen waarvan we zelf een kaartje krijgen. Eigenlijk ook onzin. Dat noem ik  “tellen”.
Vorige week belde een collega, waar ik vorig jaar vrij intensief mee had samengewerkt. Hij had een eindejaarsbellijst. Mensen die hij lang niet had gezien, nog even spreken. Vragen hoe het met je gaat en laten horen hoe het met je gaat. “Fijne feestdagen” wordt op die manier echt persoonlijk!
Voor de kerstdagen drukken tegenwoordig ook alle bezorgers van kranten, weekbladen en folders op de deurbel. Folders die vooral goed zijn voor de verenigingen die het oud papier op komen halen. Maar dat terzijde. Die bezorgers bellen aan, jij doet open en zij wensen je prettige kerstdagen. Ze overhandigen je daarbij een kaartje. Ik lees. Dezelfde kerstgroet die ik net gehoord heb. Waarom lezen ze mij dat voor? Denken ze dat ik niet kan lezen? Neen, het is om de aandacht te trekken naar het gelaat, zodat ik kan zien dat er een groot vraagteken in hun ogen staat. Ik groet u, ik bezorg folders waar u niets aan heeft en nu wil ik geld van u, staat er in die ogen te lezen. Geen enkele collectant en geen enkele bezorger belt bij ons tevergeefs aan. Maar hoe de laatste dat doet noem ik toch een vorm van modern bedelen.

Fijne feestdagen!

Oude hoornseweg in de sneeuw

Het heeft langer dan een jaar geduurd. De renovatie van onze straat. Als dank voor de overlast kregen we van de gemeente een roomboter banketkrans thuis bezorgd. Net op het moment dat ik een subsidie verzoek wilde indienen voor een buurtfeest. Daar kan ik nu waarschijnlijk niet meer mee aankomen.

De straat is klaar en heeft gelukkig zijn nostalgische karakter behouden. De sneeuw zorgt voor nieuwe overlast. Maar ik klaag niet. Daar is het plaatje veel te mooi voor.

Moving Moments

Afgelopen week kwam ik in aanraking met de theorie Moving Moments. Moving is dan weer zo’n woord wat multi-interpretabel is. Verandering in een organisatie komt niet tot stand als je blokkering tot die verandering niet aanpakt. Nieuwe dingen gaan doen zonder oude dingen los te laten lukt simpel weg niet.

Afgelopen donderdag op zoek geweest naar blokkerende overtuigingen. Leuk!

Hieronder een toelichting op het onderzoek wat Arend Ardon hier naar heeft gedaan en de titel heeft gegeven Moving Moments.

Medewerkers moeten ondernemerschap tonen, innovatief en proactief zijn. Althans, dat is wat managers van hen vragen. In de praktijk wil dit echter vaak niet lukken. En dat heeft een heel duidelijke reden: de managers zelf. Zij laten namelijk juist dát gedrag zien, dat innovatief gedrag van medewerkers remt, zo blijkt uit het proefschrift van psycholoog en bedrijfskundige Arend Ardon.


Vier jaar lang verdiepte Ardon zich in het oerconflict in organisaties, ofwel vicieuze cirkels die veranderingen van gedrag in de weg staan, zonder dat daar nu direct een schuldige voor aan te wijzen is. Hij woonde directievergaderingen bij, tekende letterlijk gesprekken op uit directiekamers, was aanwezig bij teambijeenkomsten, enzovoorts. Dit alles om inzicht te krijgen in wat er nu precies misgaat bij veranderingsprocessen. En wat blijkt? Managers gebruiken bewust of onbewust allerlei strategieën om problemen juist niet bespreekbaar te maken.



Onderzoek



In veranderprocessen gaat doorgaans veel aandacht uit naar de aanpak: met welke stappen gaan we van de huidige naar de gewenste situatie? In de praktijk blijken stagnaties in veranderprocessen hun oorsprong echter vaak te hebben in de dagelijkse interacties die zich onafhankelijk van de veranderaanpak voltrekken. Zo komt bijvoorbeeld van versterkt ondernemerschap weinig terecht als mensen met afwijkende ideeën steevast van hun ongelijk worden overtuigd. De focus van dit proefschrift is op de dagelijkse interacties tussen managers, medewerkers en adviseurs en hoe deze samenhangen met het (de)blokkeren van veranderprocessen.


Onderzoeksvraag

Hoe dragen leiders en hun adviseurs bij aan het (de)blokkeren van dynamisch complexe veranderprocessen?

Resultaten

Uit de analyses blijkt dat managers, in het bijzonder als zij onder druk staan, heel ander gedrag vertonen dan zij zeggen belangrijk te vinden. Als het erop aankomt, proberen zij zo goed mogelijk ‘de situatie eenzijdig in de hand te houden’: anderen overtuigen, gevoelige onderwerpen onbespreekbaar maken en de druk opvoeren. Het gevolg: mensen zeggen ja maar denken nee, worden reactief en voelen zich nog minder verantwoordelijk. Ongewenste effecten, die het voor de leidinggevenden nog spannender maken. En zo ontstaan vicieuze cirkels: leidinggevenden en medewerkers hollen achter elkaar aan in het muizenrad. Als gevolg viert cynisme hoogtij in veel organisaties en komt van ondernemerschap en initiatief weinig terecht.

Als managers hun veranderdoelen niet bereiken, neemt de druk verder toe. Vaak wordt dan gegrepen naar nieuwe stappenplannen en meetinstrumenten om het beter in de hand te krijgen. Maar dat is meer van hetzelfde. Ardon pleit ervoor bespreekbaar te maken hoe managers en medewerkers echte verandering blokkeren. Dat vraagt van hen te herkennen en te erkennen dat zij het muizenrad zelf laten doordraaien. Zodra managers met hun mensen in gesprek raken over de manier waarop zij elkaar in de klem houden en hoe zij gezamenlijk beter tot ondernemerschap en vernieuwing kunnen komen, is de verandering al begonnen. Het onderzoek laat zien dat veel managers dit niet gemakkelijk vinden, maar wel kunnen. Ardon: “Die sterke managementdrang om de dingen, inclusief mensen, te beheersen, heeft al veel initiatief en vernieuwing om zeep geholpen. Juist nu lijkt het de hoogste tijd dat onder ogen te zien.”

Kaizen of kaiaku?

Dit zijn de eerste twee woorden Japans die ik geleerd heb. En ik mag er in mijn dagelijks werk mee bezig zijn. Dat gedachtegoed, gecombineerd met een model gebaseerd op een boek van Dante en de praktijk van een nanny.
Niet zo maar een nanny, de Nanny! U weet, die met die strenge blik en dito bril uit een tv programma, waarin ze laten zien hoe gemakkelijk het is om kinderen op te voeden. Of eigenlijk de ouders.
En dat boek van Dante, Een Goddelijke Komedie, is al 700 jaar oud, dus zeg niet dat we met vluchtige modelletjes werken.

Dat model met zijn oorsprong in de komedie wordt wel de verandercurve genoemd. Welke fases ga je door als je te maken krijgt met een grote, ingrijpende verandering. Inderdaad, dat zijn dezelfde fases die je doorgaat bij rouwverwerking. Dat is immers ook een dramatische verandering in je leven. Afscheid nemen, loslaten en de weg omhoog weer vinden. Hoe bedoel je komedie.

Bezorgdheid, opluchting, ontkenning, angst, bedreiging, neerslachtigheid volgen elkaar op. Om uiteindelijk terecht te komen bij hoop en vertrouwen. Of bij een hoop vertrouwen.

Ik mag verkennen of mensen willen of moeten veranderen. Of de verandering herkennen. En dan erkennen. En in wat voor fase zit dan iemand die wil veranderen? Daarbij een spiegel zijn, te motiveren en te stimuleren. Dat is iedere keer weer uitdagend, spannend en inspirerend.

Oh ja, wat betekent dan kaiaku? Veranderen naar slechter.
Veel liever dus, kaizen: veranderen naar beter!

Winst!

Lichte vorst op de ruiten. De eerste voortekenen dat het misschien binnenkort schaatsweer wordt. Maar ondanks die lichte vorst kon er nog prima worden gevoetbald op het hoofdveld van Grashoppers in Hoogwoud. Tegen de hekkesluiter in onze competitie. Na afloop wisten we waarom. Zelfs wij konden er van winnen en wel met 5 tegen 2. Coen Laan was het, vanwege het feit dat Coby uit Hoogwoud komt, aan zijn stand verplicht om op juist dat vijandelijke terrein te scoren. En deed dat ook. Een prima laatste goal.

Buurtborrel

Al bijna mijn hele leven woon ik aan de Oude Hoornseweg. In Wognum. Vlakbij wat vroeger de Buurt heette. Daar waar nu nog steeds het STAM café staat. Buurvrouw Wil, wonend in dat leuke huis met trapgevel, introduceerde na de zomer het begrip “buurtborrel”. Eens in de twee weken vrijblijvend op vrijdagmiddag effe buurten in het Stamcafé met andere buren van de Oude hoornseweg. De straat is vernieuwd met moderne parkeerhavens en lantaarnpalen. De contacten met de buurtbewoners worden op deze manier ook vernieuwd. Prima initiatief en voor mijn een legale manier om weer eens in de kroeg te komen. Gisteren mocht ik aansluitend invallen bij het WK. Geen wereldkampioenschap, maar het Wognums Kampioenschap Driebanden. De eerste partij sinds 10 (?) jaar ging uitstekend, want ik maakte mijn 13 carmaboles in 20 beurten. De tweede partij ging helaas verloren. De schuld daarvan geef ik aan de buurtborrel.

Blue tooth keyboard

Mijn zwager noemt mij wel eens Mr. Gadget. Ik weet ook niet waarom 😉 Feit is wel dat het allerleukste gadget wat ik ooit gehad heb een bluetooth foldable keyboard was voor de Palm. Deze vouwde in vierde delen als een accordeon in en uit elkaar. Typen maar en via blue tooth kwam het in mijn pda.

Daarna kocht ik voor de Ipaq een soortgelijk toetsenbord. Na de aanschaf van de nieuwe generatie pda’s, een HTC touch en zijn opvolger de HTC touch HD ging het toetsenbord bij de museumstukken. Ik kreeg hem niet meer aan de praat. Tot mijn goede vriend Wil dit weekend ging pielen en het apparaat wél in verbinding bracht met de Touch HD. Dit bericht dus blue tooth getyped en verzonden. Je kunt er maar gelukkig van worden…..